Antecedenten en origine: * voor een uitvoerige genealogie verwijzen we naar de uitstekend gedocumenteerde studie over deze familie (6594); hier beperken we ons tot het essentiële * deze familie was afkomstig uit Pittem, waar ze waarschijnlijk tot de rijke boeren behoorden, misschien allodarii, die een eigen grondbezit en een motte uitbouwden en misschien via dienst aan de regionale adellijke elite de sociale ladder opklommen, tot ze uiteindelijk in de loop van de 16de eeuw definitief als adel werden beschouwd dankzij de vorstelijke dienst die vele leden van de familie vervulden (6594) * in dit geval is de familienaam niet afgeleid van het toponiem met deze naam in Deerlijk, maar geldt het omgekeerde: Kethulle vormde de kern van de heerlijkheid Assche die door Jan van de Kethulle was verworven; wel bestaat er een toponiem Kethulle in Huise nabij Oudenaarde (6594) * Wouter Ketele, schepen van de keure te Gent 1316-17, kan misschien worden gelijk gesteld met de Wulfaert van de Kethulle die in genealogische handschriften als stamvader vermeld wordt (6594) * in elk geval is het duidelijk dat de familie de naam van de Kethulle al droeg vooraleer zich vóór 1300 in Pittem te vestigen, waar ze bepaalde connecties hadden met de lokale heren van Pittem [een dienstverband?] (6594) * Olivier Ketel, onderbaljuw van Oudenaarde ca. 1307-1324, o.a. in dienst van baljuw Jan van der Woestene; onderbaljuw van Gent 1313-1329 (6594) * Wouter Ketele, schepen van Veurne v1316-17 (6594) * Olivier van de Kethulle buitenpoorter van Kortrijk te Pittem v1396; idem voor Gilis van de Kethulle en Hendric van de Kethulle, vader van Jan (6594) * er waren ook familietakken in Tielt en in Wingene (6594)
[Hypothese van Douxchamps:] Fierin Ketel [Olivier], die misschien in dienst stond van de heer van Pittem, had 5 kinderen: Hendric, stamvader van onze Kethulles; Olivier II, Gillis, buitenpoorter van Kortrijk; Ghislain; Marguerite (6594) Geboren in 1361 Ouders: Hendrik van de Kethulle, zoals de meeste familiehoofden van zijn dorp buitenpoorter van Kortrijk, v1398 te Pittem, waar hij een versterkte hoeve bezat, genaamd tGoed te Oyghem, en een aantal lenen; hij was boodschapper voor de stad Tielt naar Antwerpen in 1405-06, gehuwd met Katharina de Heere, dochter van mr. Jan de Heere, en verwante van een hertogelijk secretaris en van Pierre de Heere, ontvanger van de verhefffingsgelden te Kortrijk, waarschijnlijk afstammelinge van Henri de Heere, secretaris van Lodewijk van Male en kanunnik in het OLV-kapittel van Kortrijk; beide echtgenoten liggen begraven te Pittem, waar ze vele bezittingen hadden. (6954) [Douxchamps suggereert o.i. terecht dat er dus sprake is van patronage van Jan via de schoonfamilie de Heere] Broer (3372): Raas van de Kethulle, ca. 1365-16/12/1400, clericus van het bisdom Doornik v1393, pensionaris van het Vrije 1396-1400, afgevaardigde op Ledenvergaderingen 1396-1399 voor Brugse Vrije, geen nageslacht (3989), hij volgde Jan op als kanunnik in Kortrijk (3372); een broer Erasmus of Raso die hem in 1400 opvolgde als pensionaris van het Vrije (4558) Zuster: Isabella, huwde de schildknaap Jan van Pittem, buitenpoorter van Kortrijk, leenhouder in Oostkerke, uit een jongere tak van de heren van Pittem [wat de connecties met deze familie weer bevestigt]; ze hadden een dochter Marie die in 1411 huwde met Roger Villain en daarbij als nicht van Jan van de Kethulle van het Brugse Vrije een zo overdadige gift ontving dat de commissarissen van de rekeningen er een opmerking bij maakten (6594)
Op 25/5/1432, na zijn uittreding uit de kapittels van Kortrijk en Bergen, trouwde hij in de Gentse Sint-Jacobskerk met Elisabeth Eebins, waar ze beiden parochianen waren; Mr. Francois de Gand, zijn broer Jehan de Gand en Jacob de Smitere waren o.a. aanwezig als getuigen (3324); Schoormans spreekt van Elisabeth Eebins, nicht van de Gentse ridder Willem Wenemaer, stichter van het hospitaal op het Sint-Veerleplein (3371) (3372); met haar had hij op het moment van zijn huwelijk al jaren een onwettige verhouding (3372) Elisabeth Eebins, ca. 1395-14/11/1471, 34 jaar jonger dan hem, was de dochter van mr. Jan Eebins, metselaar en bouwmeester, werkmeester van de stad Gent v1400-1406, 1410 (6594) Foppens spreekt van Lysebette Haluyns, met hem begraven, gestorven op 14/11/1471 (3383)
Jan, Hendric, Raas, Diederic, Pieter, Frans, Lodewic en Catharina. (3387); na zijn dood werd Zeger Lowe hun voogd (4558) * zijn oudste zoon mr. Jan, heer van Assche en Haverye, van Noorthout in Drongen "causa uxoris", geboren tussen 1408 en 1413, getrouwd in 1453 met Catharina Onredene, vrouwe van Eversteyn in Wondelgem en Noorthout, erfelijke ammans van Evergem (6954); dochter van Raas, kapitein van de Gentenaars in 1437 en van Yde van der Meeren, telg uit de Brabantse adel; Jan werd vogelvrij verklaard door de Gentenaars tijdens de opstand; 7de schepen keure 1456 (6997) maar hetzelfde jaar overleden (3387); lid van het leenhof van de Oudburg v1455; voogd van het Sint-Jan-in-de-olie-hospitaal te Gent v1456; kerkmeester van de Sint-Jacobsparochie (6594); Jan van de Kethulle uit het bisdom Doornik werd op 11/3/1436 geïmmatriculeerd aan de universiteit van Leuven (3373); hij werd geboren tussen 1408 en 1413 te Gent, eerder 1413, wat wordt gesuggereerd door het feit dat hij in 1438 een prebende doorgaf en dus meerderjarig zou kunnen zijn (4558); hij studeerde vanaf 1434 en beëindigde zijn studies op 11/3/1436 (4558); hij ontving de wijdingen niet, hoewel hij in 1429 de diakenprebende in Kortrijk van zijn vader kreeg; hij resideerde nooit, kreeg maar de helft van zijn prebende en was van geen betekenis in het kapittel; in 1438 gaf hij zijn prebende weer door aan zijn broer Raso; hij erfde de heerlijkheden van zijn vader; (4558); hij ging juist studeren in Leuven om zijn prebende te kunnen behouden zonder wijdingen; tot 1436 was dit dus eigenlijk een soort studiebeurs (6954); zijn dochter Margareta van de Kethulle, ca. 1453/57-1512, huwde met Jacob van Heule, ridder, heer van Lichtervelde, schepen van het Brugse Vrije en kapitein ervan v1487-88, baljuw van Brugge 1488-1490, raadsheer en kamerling, neef van Willem van Heule, deken van het OLV-kapittel te Kortrijk (4558) * Hendric, tweede zoon, 1414-27/11/1497 (6954), licentiaat in de rechten, werd in 1432 kanunnik te Rijsel en was kapelaan van de Sint-Maartenskerk te Kortrijk (3387) (4558); hij hield de justitierekeningen van het Sint-Pieterskapittel van Rijsel bij 1471-1474 (6112), raadsheer van Filips de Goede v1462 (3372) (6594); hij ruilde in 1432 de kosterij van de parochiekerk van de H. Apostelen Simon en Judas te Gentbrugge met Frans van Gent voor een kanunnikenprebende in het kapittel van Sint-Pieters te Rijsel; er zitten brieven van de officiaal van Doornik van 1428 bij om te bewijzen dat hij de tonsuur had ontvangen "super defectu natalium", met een dispensatie hiervoor vermits zijn ouders na zijn illegitieme geboorte nog waren getrouwd; Hendric werd hier ook "scolaris" genoemd (3324); Jan van de Kethulle had Frans van Gent waarschijnlijk zover gekregen met deze koehandel in te stemmen, waarbij misschien nog andere beneficies van eigenaar wisselden; misschien als verder gevolg van deze "deal" verkreeg Frans van Gent nog een beneficie in Bergen (6594); hij was heer van een derde van Assche en Haverye 1433-50, houder van het leen Lembeke te Wakken en Oesselgem en van het leen te Hoeke en Monnikerede [cfr. leenbezit van Jan] (6594); begraven in de kapittelkerk van Rijsel (6594); in 1493 stond het kapittel de officiaal van Doornik toe in de kanunnikenwoonst van Hendric van de Kethulle consistorie te houden (3224) * Raas, derde zoon (3387), ca. 1415-12/1475 (6594); studeerde artes te Leuven 1441-1443; kreeg in 1438 de diakenprebende in het OLV-kapittel te Kortrijk van zijn broer, eveneens zonder wijding; in 1439 was hij aanwezig en in 1440 niet, de kanunniken wilden hem aanvankelijk niet laten resideren; wanneer hij in 1441 ging studeren kon hij genieten van een privilegie waardoor hij tijdens zijn studieperiode een deel van zijn prebende kreeg; vanaf 1447 was hij aanwezig in het kapittel; in 1450 was hij al priester, hoewel hij een diakenprebende behield, en droeg hij zijn eerste mis op in Kortrijk, waarbij zijn schoonbroer Jan Wielant en ook Jacob de Smitere aanwezig waren; in 1450 herenkiezer te Gent; hij speelde een belangrijke rol in het kapittel en was de vertegenwoordiger van de kanunniken tegen hun dekens Frans van Gent en Jehan de Neufvillette (4558); hij mocht van de andere kanunniken eerst niet resideren, maar later wel, als gevolg van een tussenkomst in zijn voordeel door zijn schoonbroer Jan Wielant (6594), koster van de kerk van Sint-Denijs-Westrem 1437-1447 (6594); gestorven in 1475 (4558); afgevaardigde van het kapittel op de Statenvergadering te Gent in 1466 (5351); zijn bastaardzoon Joos was hostelier te Gent; zijn bastaarddochter Joosine was lid van de rederijkerskamer van Marie ten Eere te Gent; hij had nog twee andere bastaarden genaamd Calleken en Pierken (6594) * Diederic, vierde zoon, geboren te Gent in 1425, gestorven in 1490, koster van de Sint-Michielskerk te Gent v1455; dit was een rijkelijk beneficie ter waarde van 86 lb par per jaar; [en ook? of is dit eerder een ander persoon?] wapendeurwaarder van KdS, van de GR 1472-1484; hij bleef ongehuwd en is bij zijn moeder blijven wonen (6594) * Pieter, de vijfde zoon, ca. 1430-1511, in 1457 gehuwd met Elizabeth Wulleponts, weduwe van mr. Hendric Utenhove; ingeschreven in het Gentse smedenambacht 1477 (6594) (3387) * Frans, zesde zoon, werd raadsheer in de RVV (3387) [zie zijn eigen fiche[ * Catharina, 1423-1479, geboren tussen haar broers Raas en Diederic, gestorven 22/5/1479, vrouwe van Scoppeghem, gehuwd met Jan Wielant met contract van 20/4/1439, begraven in de Gentse Sint-Jacobskerk in de Sinte-Catharinakapel; ze kreeg niet veel mee van de erfenis van haar vader; haar oudste broer maakte haar in 1438 dan ook de 11 kleine leengoederen in Pittem over, overeenstemmend met het domein van haar grootvader Hendric van de Kethulle: het Personaatschap, de Gavermeersch, de Meulenmeersch, de Grote en de Kleine Tuerlein etc., die zo in handen van de Wielants komen; op de één of andere manier is ze ook in bezit gekomen van Scoppeghem, een achterleen van Zwevegem (7132) * Lodewic, stierf jong (3387)
Gestorven op 26/8/1433 (1415) (6954)
Klerk van Diederic Gherbode v1398, maar "misschien" al vanaf het moment dat deze zelf secretaris werd in 1385 (6954) [nog geen meestertitel]
Pensionaris van het Brugse Vrije v1393 (3374), v1395 (2495), v1396 (3988); in 1396 opgevolgd door zijn broer Raas (3372)
Secretaris van FdS, commissiebrief 21/3/1396, Margaretha van Male, Jan zonder Vrees en Filips de Goede (2495), 1396-1410 (2851), diplomatiek actief vanaf ca. 1396 (3729), secretaris tot 1413 (6954)
Raadsheer van JzV 1414-1419 en van FdG 1419-1433 (6954)
Bewaarder van de oorkonden van Vlaanderen in de kastelen van Rijsel en Rupelmonde, 28/1/1422, aan een wedde van 150 fr van 33 gr (3385) - 1433 (6594); na zijn dood op 26/8/1433 vervangen door George van Oostende (1415)
Lid van de Regentschapsraad over Vlaanderen en Artesië naast graaf Filips van Charolais 1414-1416, opgenomen op advies van de kanselier (3376); raadsheer belast met het bijstaan van de graaf van Charolais bij de regering over Vlaanderen v1414 (2495) Lid van de Regentschapsraad van 1420 (7976) Raadsheer nabij de hertogin-regentes Michèle 1420-1425 (6954); op 12/12/1421 kreeg hij opdracht om samen met de heer van Komen en Hendric Goethals voortdurend bij de hertogin te verblijven, belast met het bestuur van Vlaanderen, waarvoor hij 400 fr van 33 gr Vlaams per jaar kreeg en werd betaald tot Kerstdag 1422, ondanks het overlijden van de vorstin (1543) Lid van de Regentschapsraad van Vlaanderen en Mechelen van 1423, commissie 9/8/1423, samen met de deken van Luik, de heren van Koolskamp en Commines, Roeland van Uutkerke, de heer van Massemen en Godfried de Wilde (1414) (6856) deze is werkzaam tot 1425 (6954)
Rekwestmeester van het hof v1419 (3379) (6954), 1421 (3386)
Raadsheer v1420 (3600), v1426 (3379)
Raadsheer in de RVV, commissie 26/7/1417 als één van de raadsheren "sachans la nature et condition du pays" wegens het gebrek aan raadheren, eedaflegging 9/8/1417, samen met de heer van Poeke en Jan van de Kerchove (6954) en tot rekwestmeester in 1419 (3387) Raadsheer in de RVV v1418-1419, aan een jaarwedde van 300 fr van 37 gr 4 d par (1536), v1420-21 [in de rekeningen van de ontvanger van exploten vermeld als "conseillier"] (3637) Hij was aanwezig op de zittingen in 1419 (1904), 1421 één keer op 21/2, en niet in lijsten bovenaan (1936), 1430, heel regelmatig (2016) [als "garde des chartes of als secretaris"? hij was raadsheer van de hertog, maar bij betalingen werd hij nooit vermeld als lid van de RVV onder FdG], 1431 (2024), 1432 (2035), 1433, laatste keer op 7/8/1433 (2043) Commissaris in een zaak bv. 1426 (4595), 1427 (1981) "Hij zetelde regelmatig in de RVV" (2495) [uit Schoorman: en dit is correct gesteld]
Kerkelijk: * kanunnik-diaken in het O.L.V.-kapittel van Kortrijk 1392-1429, een prebende door de hertog verleend; hij moest van de paus de eerste 7 jaar niet resideren (4558) (4679), hoewel hij nooit hogere wijdingen had ontvangen en er uiteindelijk nooit resideerde, tot 1429 wanneer hij zijn prebende overliet aan zijn bastaard Jan (3372) * kanunnik in het Sainte-Waudru-kapittel van Bergen, gegeven door de hertog van Brabant in zijn kwaliteit van graaf van Henegouwen, vanaf 1420 tot hij op 31/1/1432 dit beneficie ruilde voor de prebende van matricularius van de Sint-Simons- en Judaskerk te Gent [zoals elders blijkt voor zijn broer Hendric] (3372) tot 1431 volgens (6594)
Leenbezit: * de oorspronkelijke motte van de Kethulles vertoonde alle uiterlijke tekenen van een heerlijkheid: kasteel, molen, vijvers, hoeven: beschreven in (6594); waarschijnlijk was het geen leen, of misschien een achterleen gehouden van de lokale meier, advocatus of een naburige heer; eventueel zouden we e silentio kunnen stellen dat het een allodium was (6594) * midden 1417 kocht hij voor 432 lb gr de heerlijkheid Assche in de kasselrij Kortrijk, met hoge, lage en middele justitie, uitgestrekt over de huidige gemeenten Deerlijk, Aalbeke, Kortrijk, Zwevegem en andere plaatsen, van de Brabantse schildknaap Willem van Assche; met ook het ressort ober een bos van 9 bunder genaamd tHaerlebekehout; de vierschaar van Assche met hoge justitie bevond zich in Deerlijk; 21 achterlenen; geen kerk of pastoor (6954) (3387), een precieze beschrijving van alle rechten en een kaart in (6594) * op 19/3/1428 kocht hij de heerlijkheid Haverye, van Jehan de Gruutere voor 540 lb gr (6954), uitvoerig beschreven in (3394), een foncier van 133 bunder verspreid over Kluizen, Ertvelde en omgeving, met hoge, middele en lage justitie, geen kerk of pastoor; met renten, kapoenen, bastaardgoed, marktgeld, doodkoop, doorgaande waarheden; het was een vrije heerlijkheid zodat er geen andere lasten op de bevolking rustten dan die van de heer; FdG schold de helft van het verheffingsgeld kwijt uit dank voor al zijn goede diensten (3378) (6954); kaart in (7127) * in 1413 kocht hij in Hoeke, aan het Zwin, het leen Rovershouc v1435, van 10 gemeten (6278) met 60 achterlenen (6954) (3372) * hij bezat ook het leen Lembeke in Wakken en Oeselgem (3372) (6954) * in 1413 kocht hij ook een renteleen van 60 lb par op de tol van Damme * het achterleen den Theurlin in Pittem, gehouden van Ter Woestyne in Olsene, stond ook op de lijst van de lenen van zijn kinderen uit 1450 (6337) * zes achterlenen van het Hof van Pittem: Den Cleenen Thuerlein, Beerts Stede, Den Molen Mersch en twee naamloze, vermeld ca. 1440 in een lijst met lenen in bezit van zijn kinderen (6337) * hij bezat nog lenen in Pittem: het Gavermeersch, het Meulenmeersch, de Cleenen Tuerlein en de Groten Tuerlein, en nog een paar kleinere leentjes, alle gehouden van de heren van Claerhout en van die van Pittem (9654) * het "Personaetschap" in Pittem, met inbegrip van de patronage over de curatus, kapelanen, koster etc., naast een klein stukje bijbehorend bos (6954) * mogelijk had hij ook al de heerlijkheid Ryhove, bij Ninove, in bezit: in de 14de eeuw was die eigendom van de familie van Herzele; in de 15de eeuw kwam ze in bezit van de Kethulles in onbekende omstandigheden (3387) * in 1454 verkocht Jehan du Bois samen met zijn vrouw Johanne van Steelant een leen gehouden van mr. Lodewic van Artrijke bestaande uit drie streken tienden te Steenland en te Hertingen, aan Jan van de Kethulle, ten behoeve van Joanna en Florentine Wielant, dochters van mr. Jan en Katelijne van de Kethulle (3859) * in 1421 verklaarde Filips de Goede een polder van 7 gemeten in de parochie Oostkerke tegen een schadeloosstelling van 80 lb par en de betaling van de tiende penning als relevium, vrij van leenverband omdat de stad Brugge deze polder wou aankopen om de waterverbinding tussen Damme en Sluis te verbeteren (4070)
zijn vader Hendric bezat al het leen Den Grooten Tuerlein of Den Thierlein en nog een kleiner leentje eveneens in Pittem (6594)
Huizenbezit: * hij verbleef normaal gezien te Brugge (3387); als pensionaris van het Vrije had hij daar een verblijf, dat hij later ook nog behield (6954) * in de periode 1409-1412 was zijn huishouden gevestigd in een huis te Rijsel in de rue des Ensacquiées, nabij de Markt [de huidige Rue des Soeurs Noirs nabij de Place Général de Gaulle] (6954) * bezat het Braemsteen in de Onderstraat te Gent (3371); in 1414 had hij de opdracht gekregen om in Gent te verblijven bij de graaf van Charolais; nadat hij aanvankelijk een huis had gehuurd kocht hij het genoemd Serbraem steen in 1424 (8056); dit ging later via zijn dochter Catharina over op Jan Wielant (3387) (7128) (6954) * in 1401 kreeg hij van de hertog het huis van een overleden bastaard, maar hij liet het aan zich voorbijgaan omdat het te zwaar met schulden was belast (3380) * in 1412 kreeg hij een gift van 300 fr van de hertog om hem te helpen een huis in Rijsel aan te kopen en op te knappen (3382) * hij bezat vanaf 1413 een huis in Kortrijk (4558), bij de poort van de kanunniken, maar hij woonde daar niet (6954)
Rentenbezit: * in 1423 kocht hij een lijfrente op de stad Damme (6954)
Wapen: * familiewapen van de Kethulles: "de sable au demi pal rencontrant une fasce d'argent, accompagné de trois étoiles d'or à six raies, deux en chef et une en pointe"; op zijn persoonlijk zegel stond nog slechts één ster, maar in de volgende generatie waren het er al drie en het zegel veranderde niet meer (3387) * zegel afgebeeld, opschrift S. JOANNIS VAN DEN KEYTHULLE (3394) (3387) * zegel van Jan I van de Kethulle: "écu triangulaire, dans une trilobe gothique: une fasce-pal en chef, sans étoiles" (6594)
Studies: * meestertitel (6594) * hij was volgens Vindevoghel waarschijnlijk jurist (3372), maar als klerk van Diederic Gherbode en als pensionaris van het Vrije droeg hij nog geen meestertitel, hij zou dus volgens hem gewoon "magister artium" kunnen zijn (6954) [maar wanneer is hij dan gaan studeren, in de periode 1396-98? heeft hij dus zijn carrière als pensionaris van het Vrije afgebroken om te studeren en daarna via een job als "petit clerc" bij Gherbode hogerop te raken? door de schaarste aan het relevante universitaire bronnenmateriaal voor deze periode kunnen we studies niet uitsluiten]
Hofcultuur: * hij behoorde tot het gevolg van de hertogen toen zij respectievelijk in 1405 en 1419 hun blijde intrede deden (3372) (3387)
Stichtingen: * Elisabeth Heebins, weduwe van Jan van den Kethulle en zus van Barbe Heebins, meesteres van het Wenemaershospitaal transporteerde een erfelijke rent van 48 schellingen bezet op een huis in Waarschoot, gedaan op 24/04/1469 (7814) * in de OLV-kapittelkerk van Kortrijk stichtte hij een jaargetijde voor zichzelf, zijn ouders en zijn weldoeners (7814) (4558)